Categoriearchief: Geen categorie

kon Hitler koken?

In ‘oude kookboeken uit de sloot halen’ vroeg ik het me af – kon Hitler koken? En die zoektocht was op z’n zachts gezegd interessant…
Om maar meteen met de deur in huis te vallen – ik heb geen idee of hij kon koken – ik blijf bij mijn eigen stelling dat mensen zonder fantasie niet lekker kunnen koken. en misschien had Herr H fantasie, dat was dan toch niet zeker niet de soort speelse fantasie waar ik het over heb. En dus kan ik me niet voorstellen dat Herr H met een bierpul in de hand, schortje voor in een pan met Bratwurst stond te roeren. Je moet Bratwurst ook niet roeren, dan wordt het gehakt, maar dat terzijde.

Maar nu we het toch over worst hebben, Herr H was blijkbaar wel vegetariër.
“Ja. Nogal logisch.” Dacht ik.
En toen dacht ik “waarom denk ik dat?”
Reden nummer 1: Veel van de vegetariers die ik ken zijn ervarings-vegetariërs, in tegenstelling tot de mensen die heel slecht tegen vlees kunnen – want die zijn er ook. Er is iets gebeurd, ze hebben iets gezien, en vanaf dat moment hebben ze besloten om geen vlees te eten.
En dus zag ik ineens Herr H voor me,  Bratwurstlein in de hand, met zijn officieren het plan van de Endlösung in detail doornemen, wat het effect van welke methode zou zijn, en dat in zijn onderbewuste (aangenomen dat die man een onderbewuste had) zijn maag omdraaide. Waar zijn geest van jubelde daar kon zijn lijf niet tegen. Al dat dode vlees… En toen werd hij vegetarier. Ja. Dat valt me dan nog alles van de man mee.

Maar waar de beslissing om vegetarier te worden de meeste vegetariers oplucht (in tegenstelling tot de carnivoren om  hen heen, die er meestal van in de stress of de aanval schieten) was Herr H een bange eter. Want zo blijkt hij had een poule van 15 jonge vrouwen in dienst die zijn eten voorproefden. En daar kom ik bij reden nummer 2; die vrouwen kregen het eten minstens een uur van te voren, en proefden dat dan, en als niemand het loodje legde dan kwam het eten op tafel.

“Elke dag tussen elf en twaalf uur ‘s middags moest Margot Woelk (95) – zo meldt ze aan The Times – het eten van de Führer proeven voordat zijn maaltijd naar zijn Wolvennest werd gebracht. Er moest telkens een uur zitten tussen het tijdstip waarop het voedsel was getest en het moment waarop Hitler begon te eten. Zo zouden de effecten van eventueel gif in zijn eten bij de voorproevers duidelijk worden.”

En je vlees even laten rusten, even de sappen zich laten nestelen en de spier zich weer laten ontspannen is een goed plan, maar na 60 minuten is je vlees of koud of uitgedroogd (als je het warmhoudt) en dus niet lekker. En de enige reden om vlees te eten is toch hoop ik wel omdat je het lekker vindt. Vies vlees eten is als samen gaan wonen met de eerste-de-beste-mens die je tegenkomt – je kan je verwachtingen naar beneden bijstellen, maar uiteindelijk zit je toch met een gezicht van ouwe lappen aan tafel omdat ieder mens verwachtingen heeft in de hoop dat ze òvertroffen worden.

” ‘Het eten was heerlijk. Asperges, paprika’s, alleen de beste groenten, alles wat je je maar kunt voorstellen. En altijd met rijst of pasta erbij.’ Margot Woelk, destijds een twintiger, had het op het oog goed getroffen, zeker als je bedenkt dat het volop oorlog was. Jammer alleen dat ze er nooit echt van kon genieten” schrijft Ben van Raaij.
De arme vrouw schaamde zich dat ze goed te eten kreeg – en 2,5 jaar was ze bang dat die maaltijd haar laatste kon zijn, ze heeft nog nachtmerries over eten. Die heb ik ook wel eens, maar dat is dan meer omdat ik een sappig biefstukje heb gegeten en dat boze dromen opwekt door de chemische stoffen die vrijkomen (zouden we dan allemaal in ons onderbewuste vegetarier willen zijn…)

Maar was er dan inderdaad een Plot to Poison Hitler? Blijkbaar wel. Blijkbaar hadden de Britten (en als dit een Monty Phyton sketch was geweest was ie vast hilarisch) het plan opgevat om Hitler een stelselmatige dosis oestrogeen te geven, zodat Hitler „vrouwelijker en minder aggresief zou worden”
‘Spionnen die werkten voor de Britse overheid hadden toegang tot het eten van Hitler’, beschrijft professor Brain Ford, die het plan ontdekte, in het boek Secret Weapons: Technology, Science And The Race To Win World War II. (vertelt hij aan The Telegraph) Er werd voor oestrogeen gekozen, omdat het geen smaak heeft en de veranderingen geleidelijk optreden. De voorproevers die Hitlers in dienst had, zouden zo niets merken. Het eten simpelweg vergiftigen zou door de aanwezigheid van voorproevers minder makkelijk zijn.
Moet je je voorstellen
Hitler
[huilend voor z’n klerenkast]
Eef, nee, ik ga niet…

Eva Braun
Wat? Hoezo niet?

Hitler
Ik heb niks om aan te trekken.

Eva Braun
Je hebt dat ene uniform toch?

Hitler
[terwijl hij een stuk bleekselderij in de yoghurt doopt]
Nee. Staat me niet. [huilt harder] Het past me niet. Ik ben te dik.

Eva Braun
Niet. Dat ben je niet – je bent….

Hitler
Wat? Gezellig?

Eva Braun
Euh… nee.

Hitler
Jij vindt me dik. Zie je wel. [zakt tussen alle kleren op de grond ineen] Ik ga niet. Laat ze allemaal maar opzouten met hun „oorlog”, ik kap ermee. Het wordt me allemaal teveel.

Kon Adolf Hitler koken? Ik weet een ding bij een bange, hormonale megalomane vegetariër aanschuiven – al kan ie nog zo lekker koken… Thank god we won the war…

P.S.
Jeroen Meus – van het heerlijke Vlaamse programma Dagelijkse kost zou in zijn programma een recept doen van Forel zoals Hitler hem lekker vond. Dat recept heeft de uitzending nooit gehaald, vanwege boze reacties, maar hier kan je het recept wel vinden. Dus zo’n strikte hield die Führer zich dan ook niet aan z’n eigen regels.
http://www.kirchenweb.at/kochrezepte/fisch/forelle/forelleinbuttersosse.htm

Ouwe kookboeken uit de sloot halen

Koken is traditie.  Sommige recepten gaan van generatie op generatie. Maar ook heb ik het idee dat met de overvloedigheid van recepten op internet dat steeds minder word. Vragen we nog wel aan onze oma hoe ze gehaktballen maakt? Zitten we nog wel mentale aantekening te maken als we meekijken terwijl onze moeders appeltaart bakken, of baklava of rendang?
Zo’n recept dat honderden jaren oud is moet wel goed zijn, omdat iemand een recept dat niemand lekker vindt niet zal blijven herhalen. Succes herhaalt zich graag. En als mensen iets niet lekker vinden laten ze dat bijna altijd verbaal of nonverbaal merken. Ja. Tenzij de kok Adolf H heet en je een zielloos gepureerd prutje voorschotelt… Dan piep je wel anders.  Of beter niet. Typisch toch, die vooringenomenheid dat ik me niet voor kan stellen dat Hitler een goede kok was… Maar daarover een andere blog meer.

Omdat ik geloof in het beheersen of tenminste begrijpen van de basis van een recept, en de basis vaak terug in de tijd ligt haal ik graag ouwe kookboeken uit de sloot. Soms waan ik me echt Indiana Jones die door de krochten van het kookverleden op zoek gaat naar de heilige graal. Het ultieme geheim, de handigste tip waarmee alles op z’n plek valt.
Zoals: “is de soep te zout?  Voeg dan nu een rauwe geschilde aardappel toe en kook die gaar, hij zal een deel van het zout absorberen. Maar het is raadzaam de volgende keer de soep eerst te proeven alvorens er zout in de doen.”

Of bij een recept van zandgebaktaartjes die je nog gaat vullen: Voor eiwitglazuur  gebruikt men gezeefde poedersuiker die met een heel klein beetje ongeklopt eiwit is geroerd tot een vrij dikke pap. Bestrijk hiermee de bodem van het zandtaartje en laat het glazuur drogen en hard worden. Het lost niet gemakkelijk op in sap van vruchten en voorkomt het slap worden van de taartjes.

En soms staan er ook vreselijke dingen in, die nu echt niet meer kunnen, zoals
“Plaats het pannetje op het asbest plaatje (….) en plaats het dan op een nieuwe asbestplaat…” Waarschijnlijk zeer effectieve voorloper van het ‚warmhoudplaatje’ en vooral het detail dat een huishouden in die tijd meerdere asbestplaatjes in de kast had staan, die zullen ook wel ‚huh?’ gedacht hebben toen het hele effect van asbest bekend werd.

En termen die nu in de reguliere kookboeken verdwenen zijn. Zaken waarvan elke huisvrouw werd geacht te weten wat dat is.
“Maak een zetsel”  Euh… Okee.. Goddank voor dan weer een ander oud kookboek „een zetsel is een papje van handwarm water of melk (dezelfde temperatuur als het flesje van de baby), gist, suiker en een beetje bloem. 20 min laten staan tot het bruist.” Alle huisvrouwen hebben een baby in de zeventiger jaren, logisch want anders was je wel aan het werk, waar hebben de feministen anders hun bh’s voor verbrand? En het gaat hier om verse gist. Instant gist is zoals de naam al zegt meteen klaar voor gebruik. Al moet ik zeggen dat het maken van een ‘zetsel’ met mijn oudste zoon hem instant tot een dokter Frankenstein maakte die wilde dat zijn papje ging leven – wat ook gebeurde. “It’s aliiive moehaha!”

De moderne kookboeken gaan steeds meer uit van de halffabrikaten die  ook volop aanwezig zijn. Dat is de evolutie. Iedereen kan nu alles maken. Uit welke windstreek dan ook. Ik weet nog dat toen in klein was het vinden van een verse rode peper (bij de toko 30 min fietsen verder) een hoogtepunt was. En wat een limoen was? ‘Vast een citroen die niet goed is….’ En toen ik laatst bij de slager om een ossenstaart vroeg (voor in de rundvleesdaube) stonden twee vrouwen achter mij te gruwelen…  Zo stel ik me m’n oma ook voor toen ze in de supermarkt vol wantrouwen die misvormde groenten en veel te kleurrijk fruit met frutsels zag. ‘Kan vast niet goed zijn…’ terwijl ze met aardappelen, peeën en appels naar buiten liep. Vooruitgang is niet altijd een verbetering, of een verbreding van wat was, soms is het de vooruitgang op dezelfde plaats een kwartslag draaien. En daarom koester in die oude kookboeken, met hun wij-huisvrouwen-toontje en hun gezondheidsgevaren. Maar die oude kookboeken heb ik dan wel weer ingescand zodat ik ze op m’n ipad paraat heb. Dat dan wel weer. Dat is mijn kwart-slaagse-draai.

Duveltje

Ik kom er steeds meer achter dat herinneringen en eten aan elkaar verbonden zijn
 Zo sta ik nu in een pan tomatensoep te roeren. En huisgemaakte tomatensoep, een poging tot zoals-mijn-mamma-gemaakte tomaten soep. En die neemt me mee naar huis, en naar de Efteling waar m’n moeder altijd een thermoskan tomatensoep met balletjes voor maakte die we dan opdronken in de Gondoletta’s of daar op het bankje bij de Fata Morgana.
En elke vrijdag sta ik aardappels te schillen en te snijden, voor te bakken op 150 graden en door te bakken op 180 graden om de vrijdagsfrietdag in stand te houden, die ooit bij mijn vader is begonnen toen hij nog een menneke was. En als híjzelf friet staat bakken wordt hij ook weer een menneke. Al denk ik dat het Duveltje dat hij zichzelf dan gunt daar ook aan bijdraagt. Maar zelfgebakken friet, het heeft een magische uitwerking…
Ik weet nog dat – voordat ik zelf leerling op het Newman College werd – de schoolkrantredactie bij elkaar kwam in mn ouderlijk huis om de verse schoolkrant in de drukkerij van mn moeder in elkaar te zetten (vergaren, nieten, inpakken) en als het dan klaar was dan had mn vader friet. Vers. Zelfgemaakt. Met een grap en een grol. En de gezichten van die leerlingen die het al heel bijzonder vonden om bij meneer Mathijssen – docent Levensbeschouwing in z’n natuurlijke habitat te zijn, die ontspanden en verwonderden zich aan tafel. Of misschien viel al de beste friet ever etend alles op zn plek. Die man die kan zo scherp en kritisch en bevlogen in zijn lessen zijn omdat hij vrijdags met een Duveltje in de hand weer menneke word.
En nu sta ik dus de vellen van de tomaten uit de soep te vissen voor ik hem ga pureren. De passevite is stuk. (Ideale voorwerp voor het maken van mooie gladde soep) en 14 minuten lang roer en vis ik opgekrulde tomatenvelletjes uit de soep. Want m’n oudste heeft verkondigd dat hij geen soep lust en m’n lief eet wel tomatensoep maar krijgt daarna het zuur, en dat zou door de velletjes komen. Het gaat mij niet gebeuren dat mijn gezin met een zure herinnering aan tomatensoep overblijft. Ik doe een dansje. Ik vis en zeef. En dan gaan we eten. Vers brood erbij. En m’n oudste proeft en blijft eten, en m’n lief heb ik alle uren daarna niks horen zeggen over zuur of oprispingen. En de jongste – okee, die weigert. Pertinent. Maar hij weigert op dit moment alles. Ja alles behalve de friet van zn opa. Maar de jongste is dan ook een duveltje naar z’n opa’s hand.

Triootje

Een hele tijd terug werd ik ooit eens – in De Burcht te Leiden – benaderd door een meisje of ik niet een triootje wilde. Met haar en haar minnaar, die  eigenlijk getrouwd was, maar dan niet met haar. Omdat zij mij beiden wel zagen zitten. Want ‘we hebben nog nooit ons oog laten vallen op dezelfde vrouw. Tot nu.’ Een compliment zou je kunnen denken, maar ik voelde me toch meer het verpersoonlijkte compromis – en als er nou iets niet sexy is… Dat soort trio’s zijn ook gedoemd te mislukken.

Maar dat geldt niet voor alle trio’s. Als ik mijn lief mag geloven – die nu hij dit leest zijn hoop op bovenstaand soortige trio’s nu ziet vervliegen – is een bandje dat uit drie man bestaat de spannendste samenstelling. Dat trio werkt dus. Denk The Police, denk the John Mayer trio.

Zo ook ui, bleekselderij en wortel. Een trio waarbij niemand als het vuur hoger laait uit de pan wordt geduwd. Geen sexy trio, maar ook geen gekwetste ego’s… Een trio van juist precies die drie smaken die samen iets anders worden, die elkaar optillen door dieper te worden, een aardse zoetheid, een warm bedje waar menige saus of stoofschotel tot rust in kan komen

Of –
Ui, ham (of spek) en boter
Dat ruikt naar thuis zijn.

Of –
Wit tijgerbrood, boter en mingkaka (zoals onze jongste pindakaas noemt)
Dat klinkt als blije jongens

Of:
Wit brood, spekvet en suiker.
Dat smaakt naar Brabant

Of….

En dan is er nog het trio van chocolade. In ijsvorm. Van de een of andere adelijke ijsboer. Ik ben van mening dat als je chocola, chocola en chocola in één bak doet dat dat dan vooral naar chocola gaat smaken. Naar melk chocolade. Witte chocolade wordt ergens naar de achtergrond verdrukt, terwijl pure chocolade er nog wat van probeert te maken, maar faalt omdat melkchocolade met z’n poederige melk alles overschreeuwt met een ‘waarom kunnen jullie niet wat meer zoals ik zijn, een compromis…’ Zoals gezegd – sommige trio’s zijn gedoemd te eindigen in een mislukking.

In tegenstelling tot pure chocolade, kardamom en koffie, maar dat is voor die ijsboer misschien een tikkeltje te gewaagd – terwijl ik denk ‘dat is nou een trio waar ik me best eens in wil mengen…’

Moeilijke eters

IMG_2775Moeilijke eters…

Je hebt ze in alle soorten en maten. Zo zijn er mensen die allergisch zijn voor het een of ander, die zijn nog wel de makkelijkste. Die mogen iets niet en anders gaan ze dood. Helder. Dat heeft niets met smaak te maken. (Alhoewel… Maar daarover later meer.) Dat is niet anders dan serieus te nemen.

Er zijn mensen die niet van dingen houden. Zoals kaas of champignons. Dat is helder en duidelijk – niet aan beginnen. Niks zo hartverscheurend als iemand die iets proeft en dan zijn gezicht verrekt van de viezigheid,  dat ziet er zo onsmakelijk uit als de ervaring voor diegene vast is.  Nu kom ik uit een eigenwijs gezin, en mijn vader vond het belachelijk dat ik niet van champignons houd (voor de volledigheid, rauwe champignons met een beetje citroensap en zout en peper vind ik heerlijk) en hij heeft ik weet niet hoe lang  pogingen ondernomen om mijn paddestoelen ongenoegen aan te kaarten. Hij  hakte de champignons bijvoorbeeld zo klein dat ze niet als zodanig te herkennen zouden zijn – Het oog eet ook mee. Sterker nog het oog heeft al gegeten voordat de rest begonnen is. Onbeschoft eigenlijk…. Maar goed – mijn vader schotelde mij zijn experiment voor – doel de smaak aanstellerij van zijn eigen kind ontmaskeren. En steevast elke keer was mijn reactie “sorry ik weet niet wat het is maar ik vind het echt niet lekker” en dat was dat. Ja tot mijn vader – ik kom uit een eigenwijs gezin- het weer eens ging proberen. En het moet gezegd sommige dingen heb ik leren eten en vind ik nu lekker, maar het staat onomstotelijk vast dat paddestoelen daar niet bij horen.
Nu kook ik wel met paddestoelen omdat ik ze wel (rauw) kan proeven, en theoretisch kan ik me hun smaak voorstellen, en ook wat er lekker bij zou kunnen zijn. Schaaldieren zal je in Eva’s keuken nooit vinden. Ja tenzij iemand besluit om te willen vermoorden, maar laten we daar voor het gemak en de gemoedsrust maar even niet van uit gaan….

Maar er zijn ook mensen – en die vind ik zo moeilijk – die zeggen “ik lust alles” en de eerste reactie is o wat fijn, carte blanche, maar het is me nou nog nooit overkomen dat dat echt zo is. Het is ook nogal een statement. ‘Ik lust alles…’ Jaja…
Ik lust alles kan verschillende dingen betekenen
– ik lust alles wat ik tot nu toe heb gegeten.
– ik lust alles wat ik tot nu toe heb gegeten, maar ik behoor tot die 60 procent die tussen de 1en 3 recepten rouleert elke week (bron Nu.nl)
– ik lust alles maar alleen zoals mijn moeder het klaar maakt
– ik lust alles met ketchup
– ik lust alles met appelmoes, maar alleen als die appelmoes dan vooral niet zelfgemaakt is.
– ik lust alles zolang als ik het maar niet kan herkennen als beest

Als kind lustte ik al geen mosselen, ik vond het supergezellig zo’n pannetje waar iedereen dan met een mossel mosselend uit zat te plukken en smikkelen, maar ik vond ze zo vies ruiken dat ik ze niet kon proeven… Toch een kwestie van smaak. Mijn lichaam kende me beter dan ikzelf. Toen ik toen ik een jaar of 18 was in Italië was en ik zelf mosselen had gevangen of geplukt, of hoe noem je dat, toen dacht ik “dit is zo vers dit moet ik proeven” en aan een lange tafel tussen de fruitbomen at ik een bordje spaghetti al à Vongole. En dat heb ik geweten. Heb toen ook het andere woord voor mosselen geleerd, terwijl ik de mijn middagmaal tegen een monumentale kloostermuur  mijn lichaam uitgooide – “cozze?”(spreek uit: kotse), vroeg Giovanni, die wilde weten of het door de mosselen kwam. En ik kon alleen maar antwoorden ‘ja nogal’

En toch wil ik dat  mijn kinderen alles proeven, als ze het dan niet lusten hoeven ze het niet op te eten. En dus zit ik soms na sloven in de keuken als enige te eten van mijn eigen eten. De oudste die naar zijn bord zit te gruwelen en de jongste die met een armslag het afgekeurde eten tegen de muur torpedeert. Diep falen, dat is hoe dat voelt. Dat je als moeder je kind niet voedt, als een sporter die vier jaar getraind heeft voor de olympische spelen en die dan in de afzet bij de sprint en een pees scheurt ‘jammer joh’…. Gelukkig komt er altijd een nieuw avondmaal. En sta ik gewoon weer over pruttelende pannen gebogen te denken dat ze dit ècht heel lekker gaan vinden, ongeacht of het dan misschien toch behangplaksel wordt. Het is zoals de toneelschrijver Samuel Beckett zei: “Try. Fail. Try again. Fail better.”  Zo moeilijk is koken dus niet.

Vi(e)s

“Waarom heb je anders die wegwerp handschoenen gekocht? Het zijn er toch 200 stuks?” Goede vraag. En alleen dom dat ik hem mezelf stel als het leed al geleden is. Wegwerp handschoenen: handig en extra hygienisch bij rode peper, bietjes, gehaktballen draaien, en bij het maken van Sefardische viskoekjes… Niet dat de afkomst van het recept (Ottolenghi’s Jerusalem) van invloed is op de geur, maar mijn handen ruiken naar vis. Ze rieken. Vooral als ik aan mn neus kriebel is het extreem aanwezig. Bah.

En aangezien ik zodadelijk les moet geven aan de eerstejaars duik ik in de trein de google machine in op zoek naar een antwoord.

Okee, okee. Die wist ik al:
– citroen (he, laat ik die nou net niet in mn tas hebben zitten)
– zeezout (ook niet bij… tja… de onvoorzienigheid ten spijt…)

– azijn. Of nee dat is dat je een pannetje met azijn op t vuur moet zetten om vis lucht te verdrijven. Maar ik vraag me af of je huis dan niet gewoon meer naar azijn dan naar vis stinkt…

– met je handen langs staal of ijzer  wrijven. Er zijn ook speciale zeepjes te koop… Maar ik kom op weg naar de Jodenbreestraat echt geen Dille en Kamille of kookspeciaalzaak tegen. Toko’s, toko’s te over. En daar hebben ze geen citroenen. En geen zeezout. Zou het met vissaus ook werken?  Dan op een terrasje op de nieuwmarkt zie ik een stoel met ijzeren poten. Ik ga op mijn hurken zitten en omklem de stoelpoten met mijn vishanden… En dan zie ik mezelf…. Een vrouw die naarstig aan stoelpoten zit te wrijven… Amsterdam he… Daar kijken ze zelfs daar van op.

Met mijn visvingers scrollend stuit ik op een chatroomgesprek tussen twee vrouwen:
tandpasta. een tip van iemand die in een mortuarium werkt  aan iemand die bij diergeneeskunde  net dierendarmen had ontleed en die avond een date had: Leek mij wel een valide tip. En, niet onbelangrijk, tandpasta heb ik altijd bij me, omdat ik een fobie heb om als docent uit mn giecheltje te walmen. En na 2 keer ‘wassen’ ruiken mijn handen  pepermuntjes fris.

Maar – 3,5 uur later, in de trein denk er iemand aan me, en kriebel ik aan mijn neus. En dan daar is het weer…. Toch maar zo’n zeepje halen…? Dan wordt de vi(es) toch echt wel duur betaald…

Opnieuw beginnen… in de jaren ’70

Ik ben de dochter van een feministe en een pacifist. Ik heet nog net geen ‘Bloem’, heette wel bijna Lilith (de echte eerste vrouw van Adam, want ja zoals gezegd de dochter van een feministe, maar aangezien de te verwachten reactie in Brabant ‘Hoe?! Lilik?*’  zou zijn is die naam snel van het lijstje geschrapt. Ik heet dus Eva. Naar de moeder aller moeders. En Katherina. Naar de moeder van mijn moeder.

*Lelijk

En de feministe en de pacifist hadden thuis tussen wanden vol boeken een vreemdsoortig groot boek staan ‘Opnieuw beginnen’ met een eerste druk uit 1974. Mijn eerste ontmoeting met het boek bezorgde me rode oortjes dankzij de tekeningen van blote mensen die aan het metselen, schoffelen, zonnegroeten zijn – met jaren ’70 haargroei in all the obvious places. Het was blijkbaar erg warm in de jaren ’70 – was mijn conclusie. Wat later omdat er praktische tekeningen van kleren in stonden zodat ik met mijn minimale handvaardigheid menig carnavals- of toneelkostuum zelf in elkaar kon zetten.  En dus toen het boek op de wegdoe stapel van mijn ouders lag (minimalisme is het nieuwe pacifisme, want het brengt vrede in het hoofd) kon ik het niet laten om het mee te nemen. En wat later,  toen deze moeder aller moeders die de naam draagt van haar moeders moeder die zelf moeder werd op de geboortedag van de moeder van haar moeder – kunt u het nog volgen? – het op zomaar een dag allemaal boven haar hoofd steeg,  besloot ze het eens te lezen, want je bent nooit te oud om opnieuw te beginnen toch?
Het boek begint met:
opnieuw beginnen
1974. Tja. Times they aren’t a changing that much. En een commune stichten is wel het laatste waar ik op zit te wachten. Alhoewel het nog steeds mijn droom is om een klein restaurant te beginnen dat bestaat uit één grote tafel waar iedereen aan kan schuiven, zoals ik ooit een keertje aanschoof in een Antwerps restautantje, waar ik heerlijk gegeten heb, maar nog smakelijkere gesprekken had.
In het boek staan machtige tekeningen om je eigen haard te bouwen, en ook je eigen broodoven. En stel je nou eens voor: het is winter, de tuin gehuld in een laag sneeuw. Met m’n geitenwollen sokken (want ja ik ben het kind van de jaren ’70, en de moeder van mijn vader  breide de beste geitenwollen sokken in de hele wereld. Maar misschien maakt me dat ook gewoon een Brabantse…) even in m’n laarzen piepen om door het sneeuw te knarsen en naar de gloeiende warmte van de broodoven achter in onze tuin toe te lopen en met een dampend, warm brood, als een pasgeboren baby’tje terug door de tuindeuren het huis in te lopen en met z’n allen  dat verse brood te breken… Maar ik moet nog een aanvraag indienen bij mijn lief voordat ik een cirkel van 3 meter (hoeveel?!!?) uit onze tuin kan opofferen.
En dan is er het hoofdstuk de keuken. Waar een lijst met keukengereedschappen instaan, waaronder een frituurpan… Ik ben persoonlijk ook erg blij met onze friturpan omdat er weinig lekkerder is dat verse, eigen gemaakte friet, maar in terug naar welke natuur gaan we als we wel gaan frituren? Maar dat terzijde. Er staat ook in ‘blijf hongerig’ en “ontspannen na het eten – als het kan toch minstens 10 minuten ontspannen voor weer aan de slag te gaan, men voelt over het algemeen zelf dat het nodig is. Doe het dan ook!’ En stiekem vind ik dat hele goede tips. Als ik ooit aan dat één-tafel-restaurant begin laat ik dat in tegeltjes kleien.
Maar wat me nu toch wel het meest fascineert is dat er ook in staat hoe je je eigen gist kan maken. En dat experiment wilde ik graag aan. Maar als ik aan de jaren zeventig denk dan denk ik ook aan zuurdesem en in mijn herinnering stond ook dat recept erin, maar helaas. Toch – voor de volledigheid zet ik hieronder ook dat experiment neer. Met het recept van Paul Hollywood, die gebruik maakt van een biologisch appeltje. Dat vinden ze de getekende naakten uit 1974 vast een goed plan. En stiekem ben ik allang blij dat er niet ook zo’n tekening van meneer Hollywood bij zijn uitleg staat…
Recept gist – uit Opnieuw beginnen
“Meng  1 theelepel honing met 1 eetepel olie, 2 snuifjes zout en 2 koppen water. Doe er net zoveel tarwemeel bij tot het mengsel niet meer aan de vingers blijft plakken. Maak er een bal van en laat drie dagen, bij een kamertemperatuur van 20°C rusten in een aarden nap. Deze afdekken met een linnen doek. Na drie dagen is de gist gerezen en zacht geworden en verspreidt een wijngeur. Kneed het deeg nogmaals met 2 eetlepels meel en laat 2 dagen rusten, waarna het gist gereed is voor verwerking in het brood.
NB: Ik ben misschien wel een kind uit de jaren ’70, maar heb van mijn ouders bij de uizet geen aarden nap gekregen…  Ik geloof wel dat ijzer met gist kan regeren, dus heb ik uit eindelijk gekozen om het in de aardenwerken onderschaal van mijn tagine te leggen. Ik heb gebruikt: 300 gr speltbloem, 300 ml water ongeveer,  honing van de imker, 1 eetlepel koolzaadolie -omdat dat zo heerlijk boterig smaakt. Dit alles heb ik weggezet in de ruimte met de constantste temperatuur. Ik denk dat ik mijn liefje als ‘timer’ gebruik. zodra hij zegt ‘kom jij eens ruiken, het ruikt in mijn studio naar wijn’ dan weet ik dat het tijd is voor de volgende stap…

IMG_2734
Gist – dag 1

Recept zuurdesem – Paul Hollywood
Nodig: 1 biologische appel (Het is belangrijk om een biologische appel  te kiezen, (anders kan het zuurdesem kan niet fermenteren). Ik heb een appeltje van onze eigen boom gebruikt. 1000 gr tarwe van sterke kwaliteit, 360 ml lauwwarm water (2 delen kokend water met 1 deel koud water)
Fase 1 . Meng 500 g van de bloem met de geraspte appel (niet het klokhuis mee raspen) en water . Doe deze in een luchtdichte container en markeer het niveau aan de buitenkant  van de container ( zodat u kunt zien of de mix is gestegen ) Kan makkelijk met een elastiekje . Dek af en laat 3 dagen gisten .
Fase 2 . Na de 3e dag zal de mix zoet  ruiken, en een beetje ruiken als cider . Het zal een beetje donkerder van kleur zijn en het zal zijn  gegroeid , en ook een aantal bubbels hebben gevormd. Controleer het peil ten opzichte van de markering die u maakte aan de buitenkant om te zien hoeveel het is gegroeid . Gooi de helft van het mengsel en voeg nog eens 250 gram bloem toe  en 170ml water (dit heet ‘ voeden) . Meng grondig in de kom . Doe terug in de container en laat nog 2 dagen staan.
Fase 3 . Er moet nu volop activiteit in het deeg zijn, dus veel kleine belletjes . Als er niets gebeurt controleer dan de zijkant van de container – u zult in staat zijn om te zien of het deeg is gestegen en misschien weer gedaald door de vegen aan de zijkant . Als het is gestegen en gedaald , dan is het actief . Als je zuurdesem actief is , maar is ingeklonken en een vloeibare laag heeft gevormd op de top, dan is het eigenlijk overactief . Roer er wat meer bloem om het terug tot een dikke consistentie te krijgen en laat het extra een dag rusten . Het moet de dikke , bruisend textuur hebben. Als er geen teken van stijgende op de container , en geen bellen , laat het deeg nog een paar dagen staan.
Zodra uw zuurdesemstarter actief is , gooi de helft ervan weg, net als eerder , en meng er weer 250g bloem en genoeg water om het terug te keren naar de consistentie van de eerste dag (een zeer nat deeg). Laat het nu 24 uur staan. Als het desem begint te borrelen binnen deze tijd , dan is het klaar voor gebruik . Idealiter , als je het gaat gebruiken, moet het desem dik en bruisend zijn. Als je het schudt , moet het wiebelen als een gelei , zonder meteen in te klinken. Wanneer je een lepel erdoorheen roert  moet het als een dik beslag voelen . Als uw zuurdesem niet borrelt , voer het weer , net als in fase twee , en laat het nog 2 dagen staan.
Als u regelmatig gebruik maakt van de zuurdesem, dan kunt u het op kamertemperatuur laten staan , en  het minstens om de 3 dagen voeden en ook wanneer u er wat van gebruikt heeft om brood mee te maken. Roer  er gewoon genoeg bloem en water door om het terug te krijgen naar de consistentie van een zeer nat deeg. Let wel: voor elk recept heb je  500g zuurdesem nodig. Laat het rusten totdat het de dikke , bruisend, geleiachtige fase bereikt . Gebruikt u het zuurdesem minder vaak, zeg eens per maand, bewaar het dan bedekt in de koelkast. Dit vertraagt de activiteit, maar zorgt ook dat het zo goed als voor altijd houdbaar is. Maar voor je het gebruikt wel eerst op kamertemperatuur laten komen. Lijkt het zuurdesem inactief te zijn, voer het dan weer bloem en water, want de bacteriën moeten leven…

IMG_2733
Zuurdesem – dag 1

En nu is het dus wachten. En misschien is dat de wijste les.  Je moet een iets (zeg een idee) gewoon elke dag een beetje voeden,  soms de helft wegdoen, maar na zeven dagen (plus-minus) is het er klaar voor… Om iets anders te worden, iets dat groter is dan het idee zelf…  Nooit gedacht dat ik nog iets van bacteriën zou leren…

Chutwel of chutney

Tuurlijk…
Waarom ook niet?!
Leg daar maar neer
Ligt ie heerlijk.
De pruimenchutney die al meer dan een maand op een koele donkere plek heeft staan smaak ontwikkelen.
De pruimenchutney waar ik meer dan een uur in heb staan roeren tot ie tot de juiste constistentie was ingekookt.
Natuurlijk valt juist die chutney net op onverklaarbare wijze op de grond.
Klabatsplesjprut
En heb ik hem eigenlijk wel aangeraakt?
Of zijn er duistere krachten in het spel?
Want de timing is duivels.
En op dat moment ontsnapt me “Houdt het dan nooit op!” waar Carice van Houten jaloers op zou zijn.
Cateren is koken met een deadline. En als schrijver eet ik deadlines voor lunch, maar al schrijvend kan er ook niet zoveel uit de lucht komen vallen. Ja, inspiratie heeft een reputatie om zijn ingeving als duivenkledders lukraak rond te spletschen en wie er voor openstaat pikt het idee op, maar daar zal je me nooit over horen foeteren.
In tegenstelling tot over de chutney die als een macabere misdaad op de grond ligt.
Daar zat ik niet op de te wachten
Niet nu
Nou ja nooit eigenlijk
Maar waarom is het altijd de chutney? Kan iemand me dat uitleggen?
Waarom niet gewoon een pot augurken? Koop ik gewoon een nieuwe?
Maar de charme van chutney is juist dat je hem moet koesteren en z’n gang moet laten gaan alvorens er van te genieten…
En ik kan nou niet bepaald bevestigen dat ik zit te genieten, op m’n knieën, eerst met de voorzichtigheid van een Crime Scene Investigator om alle schreven op te rapen, daarna met keukenpapier die dikke klodders opvegen…
Zou het nog lekker smaken? Zou ik het proe-
Maar dan valt m’n oog op nog een stukje glas en is mijn nieuwsgierigheid meteen gestild.
Alles voor de prullenbak, geen uitzonderingen.
En al boenend vraag ik me toch af hoe het kan dat als een potje rechts uit een kastje valt dat er dan tot in de bijkeuken op 1,5 meter hoogte nog steeds rode prut zit.
Ik kan maar beter een poetsdoek adopteren, want ik voel aan m’n water dat ik de komende dagen op de meest rare plaatsen nog sporen van deze ellende ga aantreffen.
O ja daar gaan we al, ik wil het krukje oppakken en ik pak in prutney –  ik kan op dit moment geen betere naam voor mijn pruimenchutney bedenken… – Hoe komt de prutney aan de onderkant van een krukje terecht? Hoe? Hoe?
Als ik een tv-serie was zou er dan nu Dexter door de tuindeuren binnen komen lopen en me heel bloed-spetter-deskundig uitleggen hoe het zit met snelheid en spatkracht, om me daarna met mijn superscherpe messen te fileren omdat ik schuldig ben aan de nodeloze moord op de  prutney.
En gelijk heeft ie.
Als ie me daarna dan maar lekker in een stoofschotel verwerkt, zo eentje die 2-3 uur op moet staan.
En dan val ik daarna op onverklaarbare wijze uit zijn kastje.
En dan eens zien hoe hij dàt oplost.  Want zelfs Dexter heeft zijn keuken niet in plastic gehuld. En dat wil toch iets zeggen.
Maar alle gekheid op de grond – want op een stokje blijft hij als ik in de buurt ben waarschijnlijk ook niet zitten – ik begrijp goed waarom de HACCP stelt dat een keuken uit zoveel mogelijk gladde (lees goed afneembare) oppervlakten moet bestaan.
Blijkbaar valt er in elke keuken wel eens onverklaarbare chutney uit de kast.
Dat dat dan een geruststelling moet zijn.
Maar zuur is het.
Maar dat is ook niet zo gek, aangezien er een halve liter azijn in de pot pruimenchutney zit.
Zucht
Zat.

IMG_2545