Ik kan het niet zo goed

Ik kan het niet zo goed
ben niet z’n held in het
zeker-wel-of-toch-misschien-niet-maar-eigenlijk-tuurlijk-wat-denk-jij-dan?
omdat het zeggen als het zo is
als het wel zo
en tuurlijk
dat maakt alles
zoveel
mooier,
lichter
kom bij me
en wees dichter
schrijf me
lief me
dicht tegen je aan
ga op de hoogste berg staan
en betreur achteraf wat was
maar kom bij me
bij mij
stap in die plas
van tranen en het ook niet weten
en ergens toch ook wel
kom bij en wees schrijver
krabbel je naam op mijn vel
lief me
lees me terug
en denk
“dat zou ik nu heel anders”
Want die nu en die heel anders
staan op spanning met elkaar
’t Is nu en het is waar
wat ze delen is mijn huid
en jouw handen
Het is hangen in verlangen
als een nat laken aan een lijn
met twee knijpers
die zich droog wappert in de wind
Dat is net zoiets
als jouw twee handen in de mijne
en dat ik je
zo heerlijk vind…

val-appel

ergens, op een boerderij, met een datum en een jaartal

 

 

 

 

 

Hee jij

Bizar hoeveel je met een appel kan doen. 
Of niet met één appel, die is zo op
Ik bedoel, het is alsof de appels hier maar blijven vallen
En vallen
Een veelvuldig vallen
Oh man, ik word er vreselijk sentimenteel van
Op mijn blote voeten door het natte gras, met mijn rok in mijn hand, als een knapzak, valappels rapen.
Ik moest aan je denken
Aan hoe we veelvuldig voor elkaar gevallen zijn
Steeds de één net na de ander
Alsof het ons nooit zou lukken samen te vallen
Ze zeggen dat timing alles is, dat je de liefde moet plukken… 
Tijd is alles.
Timing is daar maar een heel specifiek onderdeel van.
Een valappel die je niet opraapt, ja , die is verloren, als je die laat liggen en dan besluit, zelfs al is het een middag verder, en je wil hem dan toch rapen… dan hebben de beestjes hem al te pakken, of de rot…
En toch – ik had een dikke volle appel in mijn handen, die nog sappig en wel aan de boom hing, en ik vond het nogal wat… die eraf rukken. Pluk de dag, zeggen ze. Ik vond het nogal wat. Toen ik die ene appel eraf trok zwiepte de tak waar hij aanhing zo hard dat er vier appels op de grond kletterden. Ik vind dat nogal wat. Dat je één perfecte appel wil plukken en er nog vier, zomaar, van de takken af vallen.
Ik geloof ik dat ik liever vroeg op sta, en met de dauw op mijn huid, de dag opraap.
Of, hoor mij – laat de dag lekker doen wat hij wil… Ik had het over appels… En gek genoeg gaan appels over jou…
Misschien had ik niet terug moeten komen naar hier.
Alles in deze boerderij is zo verbonden met jou… Ik raap jouw appels, alsof elke valappel die ik in mijn schoot verzamel een stukje van jou is…
Een beetje van jou dat zegt ‘kijk mij eens voor dag en dauw vallen. Voor jou’
Ik heb chutney van je appels gemaakt – vooral omdat ik een sneu doosje met specerijen vond die eigenlijk over de datum waren… Kon ze weggooien, of niet. Koos het laatste. Nu staat er een pan – jouw pan – op het vuur – jouw vuur – te pruttelen. Ik heb geen idee of jij hier potjes en dekseltjes hebt. Ben jij iemand om dingen te conserveren? Daar ga ik nu achter komen. Anders eet ik de komende drie weken bij alles; appelchutney. Maar ik hoop dat ik het kan op potten, en dat ik over een maand of twee, drie zo’n potje kan openen op een gure verlaten avond. Zodat ik me kan warmen aan de diepe smaak van hoe jij ooit voor me viel.
Zoveel appels. Zoveel jij. Zoveel om voor te vallen.
Ik denk dat een appel nooit klaar is om los te laten. Dat het gebeurt. Zomaar. Door de wind, de warmte, door – iets. Op dat moment denkt een appel ‘hee dit is het, daar ga ik.’ Zoals jij en ik. Zomaar. Ergens. Door de wind. Door de warmte. Een blik. Een hee daar ga ik. En jij ging ook. En dus vielen we samen. Jij en ik.
Drie potjes. Met passende dekseltjes. Het hoeft niet allemaal nu. Het mag duren. Tot een gure schurende dag. Dat mag. Wachten op zo’n dag. Mag. Nu.

Tot die tijd kus ik je.

appeltaart

Hee jij,
Het hele huis ruikt naar appeltaart
Vooral als ik de trap afloop
En er is iets
Ik weet niet precies
Ik word er warm van
Week van
Het is zomer en herfst tegelijk
Het is teveel
Te lekker
Het ruikt zo lekker in huis
Ik zit nu al een half uur aan tafel
mijn handen die over het gladde harde hout,
mijn vingers die door de nerven glijden
En ik kan niet weg
Wachten op
Het is zo veel
Zo lekker
Zomer en herfst
Zwoel en triest
Ik knoop mn jurk langzaam open
Wil hem uit
Alsof ik iets dichter
Hoe kan het dat die appels
Die sneue appels in de fruitschaal
Met hun beurse plekken en vettige schil
Ik ben al bij het laatste knoopje
Ik zou het liefst voor altijd in die geur wonen
Zou hem aan willen trekken
Omdat ik dan zou kunnen zoenen en huilen
Ik wil je tegen me aan
Je zoenen
Lang en warm
Door de tranen heen
Door het weten dat het niet
Daar dwars doorheen
Door dat wat geen verdriet
Maar iets anders
Wil ik je warm
En lang
En zoenen
En tegen m’n borsten
M’n huid
Naar binnen
Ik snijd de taart aan
Warm nog
Het deeg nog niet uitgehard
Ik pak met mijn blote hand een stuk
het brandt in mijn hand
ik moet het neerleggen
doe het niet
En eet je
Voel je
Huil je
Ik wel
Zo lekker
Zomer
Herfst
Maar nog lang geen winter
Ik kan nog in mijn blootje door de tuin
Omdat ik van binnen gloei
Warm nog
in tranen
Zin in
Jou
in mijn mond
Appel
Wangen
Rood
Happy birthday to me.

We hebben niks

Wij hebben niks
Jij en ik
we hebben niks
In handen
Niks in handen
Omdat we vanalles
Zijn kwijtgeraakt
In de jaren ervoor
Vanalles zoals liefde
Of het geloof in
Dingen als
Voor altijd
Of misschien zelfs ook
In ooit
Zo iets
Zo iemand
We hebben niks
Jij en ik
We hebben niks
Te verliezen
Dus leg ik mn lege hand
In die van jou
En geloof ik
Voor nu
In alles
In dingen als
Jij en ik

niet genoeg

natuurlijk is het niet genoeg
dat wil ik ook helemaal niet
ik wil er niet
genoeg
van
van dit
wat
al
zo veel
en ook nog helemaal
vanuit het niets
van alles
aan het worden is
waar ik geen idee van heb
ik wil de kelder in
en er nog een fles van opentrekken
en als die op is
dan is nemen we een andere
en als die op is
nemen we water
of eten we een appel
want er is meer dan genoeg
er is jij er is ik
en dat is
al zo veel
en ook nog helemaal
van alles
aan het worden
en ik wil met genoegen
tegen je kunnen zeggen
dat het niet genoeg
dat het het me niet
lang genoeg
kan duren
de uren
de nachten
de tijd
ik wil niet dat het me spijt
dat ik nog dichter
enkel en alleen
omdat ik er geen
genoeg van
kan
wil
krijgen.

Bagage

hij is niet van mij
die koffer
hij lijkt niet eens op de mijne
weet je wat zo mooi is aan mijn koffer?
Dat ie van mij is.
Helemaal precies van mij.
En die andere koffer
die jij dan toch ineens in wil checken
Wat mij betreft mag ie hardhandig
het verkeerde vliegtuig
in gesmeten
Tussen de andere koffers die zijn vergeten
bij de gevonden voorwerpen
verstoffen in een loods
in Reikjavik
Zodat jij met jouw koffer in je ene hand
en mijn hand in je andere de buitenlucht
in kan lopen.
Jij en ik
En als ie toch mee komt op deze vlucht
en op de de bagage band opduikt,
dan laat ik hem
rondje na rondje
aan me voorbij gaan
want het is mijn koffer niet.
En ik mag hopen
dat als jij die koffer dan ziet
en mij
en je hebt maar één hand vrij
nouja
dat je weet wat je vast wil houden

we hebben de tijd – Tussenland – PS theater

We hebben de tijd
Dat dacht ik
Ik zei het nog
Doe maar rustig aan joh
We hebben de tijd
Echt
Dat dacht ik
Echt
Gek
Dat
Wat je denkt altijd echt is
Je kan niet iets nep denken
Want je denkt het
Dus is het echt
Ook al klopt het niet
Je denkt het
echt
Een gedachte
gedachte.
Gek
alsof je het al gedaan hebt
Het denken
gedacht
Terwijl dan zou het een herinnering…
We hebben de tijd
Zei ik
Dacht ik
Ik zei zelfs joh
Doe maar rustig aan joh
We hebben de tijd
Joh
Heb ik me even
vergist.

Voor Tussenland / PS|theater

Iets niet

En ineens
is daar
iets
niet
Zomaar
Iets niet
Zomaar
Tot iemand er wel
Maar er nog steeds niet iets is
En ineens
Is het niet zomaar
Ineens
Doet het iets
Of iets niet
Dat is maar hoe je het bekijkt
Ja, bekijk het maar